Showing posts with label Interviews. Show all posts
Showing posts with label Interviews. Show all posts

Friday, August 14, 2009

Deejay 100 % ISIS: ' Iedereen weet dat de muziek uit de top 40 niet per definitie de beste is, waarom moeten we daar dan toch 24/7 naar luisteren?'

INTERVIEW MET ISIS VAN DER WEL aka DEEJAY 100 % ISIS
door Erick Overveen

Wat ik interessant vind, Isis, in interviews heb je vaak gezegd dat je haast intuïtief voorvoelde dat je je als tiener, rond het jaar 1988, op de vooravond van een muzikale revolutie bevond.

Inderdaad. Op een gegeven moment heb ik echt bij mijn ouders moeten smeken om uit te mogen gaan. Ik zei: “jullie begrijpen het gewoon niet. Ik zit echt op het puntje van de golf, als ik er nu niet op meesurf, sla ik de plank volledig mis. Ik moet mee.” Het had en heeft ook te maken met wie ik ben. Ik wil mezelf niet meteen bestempelen als een elektronisch dans mens, maar het is wel zo dat ik vanaf jonge leeftijd al een diepe verbintenis ervoer met muziek. Met name met elektronische muziek. Veel meer dan andere mensen. Mijn geluk is geweest dat mijn ouders op een gegeven moment terug naar de randstad zijn verhuisd. Vanaf toen, ik was een jaar of 15, ben ik echt elke avond uitgegaan en als koortsachtig muziek beginnen te verzamelen. Je moet denken dat de housemuziek rond 1988, 1989 net een beetje begon op te komen en dat de goede feesten dun gezaaid waren. Daarom ging ik veel naar illegale loodsfeesten in Belgie. Van die donkere, industriële feesten weet je wel. Al gauw merkte ik dat Dimitri met kop en schouders boven de andere deejays uitstak. Hij had dat Fingerspitzengeful. Ik bedoel, Dimitri is muziek. Dimitri is muziek. Op een avond nodigde hij me uit om eens naar een optreden in de Roxy te komen. Daar ben ik niet meer weggegaan. Ik heb er echt jaren gezeten. Het was die legendarische tijd met Joost van Bellen, en Eddie de Clerq waarbij ik als een soort mascotte van de groep fungeerde. Mensen vragen me nog wel eens hoe ik daar achteraf op terugkijk: meestal zeg ik dan “ik was de jongste van de ouderen, en de oudste van de jongeren.” Op een dag kreeg ik de kans om Dimitri’s voorprogramma te staan. Voor ik het wist stond ik te draaien in hotel de Ville in Leiden. Op mijn zeventiende verjaardag nota bene. Die avond kreeg ik amper een naald op de plaat gezet. Zo nerveus was ik! Ik bedoel wie was ik nou? Een snotneus uit de provincie ja. Ik draaide amper een maand of 2. Toch heeft het op de een of andere manier een verpletterde indruk gemaakt. Niet lang erna draaide ik in de Roxy. Mijn doorbraak was een feit. Ineens wist iedereen in de scène wie ik was en vrij snel erna ook de mensen in andere clubs en festivals in Europa.

Vervolgens is jouw carrière in een stroomversnelling geraakt? Wat herinner je je daar nu van?

Als ik toen had geweten wat ik nu weet, had ik een hoop geld kunnen verdienen. Ik heb er niks aan overgehouden. Goed, echt arm ben ik natuurlijk niet geweest maar verhoudingsgewijs ben ik een dief van mijn eigen portemonnee geweest, ik bedoel, ik ben echt een paar jaar ongelukkig geweest omdat ik optredens moest doen voor weinig geld. Ik was ook zo naïef. Dat is het nadeel van pionier zijn. Je moet en de hete kolen uit het vuur halen, en jezelf opofferen tegelijk.

Wat betekende het deejay bestaan voor jouw persoonlijke leven?

Van het een op het andere moment stortte de media zich op mij. Daarna is mijn leven geen moment meer hetzelfde geweest. Alles was constant in beweging. Ik heb wel nog geprobeerd om een blauwe maandag te studeren maar dat mislukte. Ik woonde letterlijk met mijn platen samen – tussen de platen op een achteraf zolder in A’dam zuid. Zo leefde ik. Als er iemand op bezoek kwam moest ik altijd waarschuwen ‘let op de platen’ haha. Inmiddels heb ik mijn kantoor (magma agency) buiten mijn huis geplaatst, omdat het mijn privé sfeer verstoorde.

Terug naar het midden van het fin de siècle – 94 - 95 – 96 CHEMISTRY, A'dam?

Er werd mij gevraagd of ik mede eigenaar wilde worden. Dat heb ik destijds geweigerd omdat ik een andere kijk over de ultieme clubavond erop nahield. De overgang van de Roxy naar de Escape was noodzakelijk omdat die eerste dichtging, en zoiets is natuurlijk nooit goed. De Escape bezat een heel andere vibe dan de klassieke Roxy, daarom wilde ik er hooguit zijdelings bij betrokken zijn. Er werd daar gedraaid voor een te breed publiek. Muzikaal gezien stond het mijlenver van me vandaan. Ik stuitte op een paradox ; het underground publiek verweet me dat ik te commercieel draaide, en het top 40 publiek bekritiseerde me op het feit dat ik te ondergronds draaide. Da’s mijn juk ook altijd geweest, dat ik muzikaal gezien te breed ben. Tussen de wal en het schip, ik weet heel goed waar dat is, die plek. House ontstond als een experimenteel, orgastische dansvorm – evolueerde, en viel in legio stromingen uiteen. het ten prooi aan de marketingspecialisten – en mensen die er dollartekens in hoorden. Da’s van alle tijden. Wat dat betreft is er in 15 jaar niks veranderd. Als je in Nederland bepaalde radiozenders aanzet, hoor je hooguit een afgeleide/ van wat housemuziek ooit was. In de volksmond is alles house of dance maar mij klinkt het erg ongezond en slecht in de oren. House is van oorsprong een geweldige, creatieve stroming, de eersten die ermee bezig waren puristen.
Er is dan ook geen land dat zo’n beroerde radio heeft dan Nederland. Zo fantasieloos en voorspelbaar. Iedereen weet dat de muziek uit de top 40 niet per definitie de beste is, waarom moeten we daar dan toch 24/7 naar luisteren?

Met twee cd’s in de album top 100, een agenda vol optredens en een overexposure aan media aandacht op radio, tv en tijdschriften beleefde ik ironisch genoeg – juist in die tijd - mijn eigen commerciële hoogtepunt. Dat ligt nu alweer een tijd achter me. Op dat punt ga ik niet meer komen, omdat ik me muzikaal gezien teveel gespecialiseerd heb. Alleen internationaal gezien is mijn ster nog rijzende. Daar zie ik mijn groei in. Ik ga me nu meer focussen op produceren – eerst werd dat opgeslokt door de optredens. Het liefst zou ik het muzikaal gezien nog dieper uitkristalliseren.

Hoe kom jij aan zulke prachtige, exclusieve tracks? Reis jij bijvoorbeeld stad en land af om exclusieve platen te scoren?

Vroeger wel, dan worstelde ik me door een enorme stapel vinyl heen. Soms 200, 300 releases per week. Stond je naast elkaar in de bakken te graaien. Je moest ze aandachtig beluisteren en dan nam ik er van de 100 soms nog maar een of twee mee. Tegenwoordig doe ik dat niet meer, het is zonde van mijn tijd. Als ik in een ander land ben, ga ik wel even kijken wat ik daar kan vinden, maar het meeste krijg ik van pluggers of via collega’s, en dan is er ook nog internet. De exclusiviteit komt nu gewoon naar je voordeur. Hierdoor heb ik meer tijd om culturen op te snuiven als ik reis.

Is dat niet eenzaam? " Life on the road?" Integendeel. Ik vind het heerlijk om af en toe een weekend of een week alleen te zijn in een nieuwe, inspirerende omgeving. Je ziet Nederland en al je sores steeds kleiner worden. Je stapt in een soort droom vacuüm – een andere wereld, een minivakantie. Er is niets therapeutische dan dat. Natuurlijk kleven er ook nadelen aan. Er zijn landen waar ik me minder thuisvoel als mens, zo ben ik bijvoorbeeld al een paar keer aangerand. Dat had te maken met mensen die in de security zitten. Sommige mensen vinden het heerlijk om je te beschermen, anderen kicken er juist op om misbruik te maken van hun machtspositie. Dat zie je wel vaker in beroepen waarin status en pakken een allesbepalende rol spelen. Van de groepies heb ik juist geen last, integendeel – zij zijn degenen die me het meest respecteren.

Ik las op je site dat je van plan bent om China aan te doen?

Sinds kort heb ik een agent daar, we zijn bezig om een tour te plannen. Het nadeel van die nieuwe markten is dat ze zo elitair zijn. Dat alleen de rijke mensen het zich kunnen veroorloven om uit te gaan. Dat een klein groepje de trends legt en dat jij er achteraan huppelt. Het doet nogal wat bekrompen aan.

In welke landen draai je het liefst? Het liefst draai ik in Zuid-Amerikaanse landen. Daar heerst echt een andere vibe dan in Nederland. Daar is het veel losser. Vrijer, met alle voor en nadelen die daarbij horen. Maar muzikaal gezien voelen die landen als een bevrijding. Die mensen breken de tent af. In Zuid-Amerika kun je een feestje neerzetten. Nederlanders zijn wat dat betreft een stijf en klinisch volkje. Ik merk dat als ik gepassioneerd over iets kan zijn, mensen zoiets hebben van ‘doe ff normaal, je moet wel in het gareel lopen.’

Ben jij op je 45ste nog altijd deejay?

Ik zou niet weten waarom niet, Erick. Deejays als Carl Cox zaten pas na hun 40ste op hun hoogtepunt. Ik kan ook geen reden bedenken waarom je ermee zou willen stoppen, misschien uit angst om als een soort Tina Turner te eindigen. Maar dan nog, ik zag haar laatst op tv en ze barst nog altijd van de energie. Hoe ouder ik word hoe lekkerder ik het draaien ga vinden. Maar er waren tijden dat ik het minder vond. Dat kwam vooral doordat de mensen waarvoor ik draaide mijn muziek niet goed vonden. Ik weet nu waar ik sta, ben nog nooit zo goed geweest en heb mijn eigen sound, mijn eigen identiteit helemaal uitgekristalliseerd. Ik word nu een soort techno-deejay genoemd. Die cross-over vind ik zelf erg prettig. Als ik vroeger geboekt werd als house dj zeiden mensen ‘je draait techno’ en als ik als techno dj op het podium stond zeiden ze ‘je draait house’ Maar binnen die cross-over draai ik tegenwoordig ook veel andere stromingen – van retro-elektro, minimum. Als je mij echt carte blanche zou geven zou ik een soort organische cross-over draaien tussen uptempo akoestische muziek, en elektronische muziek. Da’s de essentie van mijn “All is one” label. Daarin is het de bedoeling om zoveel mogelijk stijlen bij elkaar te brengen; van etnische dance, tot barok, en van psychedelictrance tot een oude house plaat uit 1990, wij verweven het zo dat het 1 harmonieus geheel wordt en daarmee onderbouwen we de onlosmakelijke verbondenheid der dingen. Da’s echt a dream come true. Een van mijn protegees, Tommy, speelt daarin een belangrijke rol. Hij is echt geniaal die jongen. Hij mixt opera met reggea, barok met soul, waanzinnig. Hij is geen publiekdeejay. Je moet hem niet zomaar ergens neer zitten want hij draait echt voor zichzelf. Maar da’s nou juist zo leuk aan hem. Verder werk ik samen met Out of Juna aan vier tracks voor het label. Als componiste heb ik nog nooit zo’n goed gevoel over mezelf gehad. Dus het antwoord is ja, op mijn 45ste sta ik nog steeds te draaien; ik denk echter wel dat je een verschuiving zult zien; van minder draaien en meer produceren.

Jij draait tegenwoordig veel in Islamitische landen als Algerije en Tunesië worden vrouwelijke deejays geaccepteerd daar?

(lacht) Ze hebben er nooit problemen mee gehad, daar. Sterker nog; ik word nergens zo hartverwarmend ontvangen als daar. Ze lijken me ook niet zo strenggelovig als aangenomen wordt. In de loop der tijd heb ik die moslims echt superdronken de tent uit zien strompelen. Je vraag vloeit waarschijnlijk voort uit het feit dat je geconditioneerd bent door de eenzijdige berichtgeving van de media.

Wat is volgens jou de oorzaak dat religie sinds het begin van het nieuwe millennium zo opleeft?

Ik denk dat, zodra mensen wijzer worden, zij in zullen zien dat iedereen zijn eigen inbreng met betrekking tot het goddelijke heeft, en dat dat gevrijwaard is van dogma’s en wetmatigheden. Uiteindelijk is alles 1, bestaat alles uit dezelfde energie. Da’s zelfs wetenschappelijk te onderbouwen. Je hebt bijvoorbeeld de kwantumtheorie waarin de kleinste deeltjes van atomen reageren precies reageren zoals de onderzoeker dat verlangt. Da’s duidelijk wetenschappelijk bewijs voor de enorme kracht van het menselijke bewustzijn. Iedereen is God in zijn eigen bewustzijn. Religie is een dogma, een tactiek om controle in de samenleving te handhaven. Da’s van alle tijden en daar wordt gretig gebruik van gemaakt in zowel westerse als oosterse culturen – en wij zitten er middenin. Voor fundamentalisme geldt hetzelfde, juist in tijden als deze die aan verandering onderheven zijn, grijpen groepen mensen terug naar vaste normen en waarden. Er is niets nieuws onder de zon. Maar ik beschouw deze tijd absoluut niet als een donkere periode, of een op handen zijnde apocalypse, ik heb geleerd door de duisternis, de lelijkheid heen te kijken. Als iedereen leert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen daden is het paradijs misschien niet eens zo ver weg als we denken.

WEBSITE DJ 100% ISIS

Isis stelde speciaal voor Oxfam Novib de cd Pulse samen; een limited edition collector's item! Check het HIER

Dit interview werd onlangs opgenomen

Sunday, March 11, 2007

Het oergevoel van Henk Hofstede (Nits)


Nits zijn terug van weggeweest. Ze vierden hun 30-jarig jubileum, keerden terug bij hun vertrouwde platenmaatschappij Sony Records, namen twee nieuwe cd’s op, en beëindigden onlangs hun prachtige “Les Nuits” - tournee in het Amsterdamse Paradiso. Een gesprek met de inmiddels 55 - jarige zanger van de band; Henk Hofstede. Over de moord op Theo van Gogh, reizen, Nescio, en vervulde verlangens.

door Erick Overveen

De Nits bestaan inmiddels meer dan dertig jaar. Jouw leven moet een jongensboek zijn.

Als ik met andere mensen over praat, kom ik er achter dat ze een romantischer beeld van mijn leven hebben dan ik. Het reizen, onderweg zijn, het verblijven in hotels, taxi’s, het toeren kortom, oefent blijkbaar een magische aantrekkingskracht op hen uit. Maar voor mij is het doodgewoon. Zo gauw je ergens middenin zit is het lastig om dat in het juiste perspectief te zien. Maar ik vind bovenal dat wij, de mensen die in Nits gezeten hebben, een redelijk normaal leven hebben geleid. We belichamen helemaal niet het cliché van de bohémien, van de zanger die aan de rand van de samenleving geraakt is, zo iemand als Herman Brood, die pas echt een heftig leven heeft geleid.

De samenstelling van de Nits heeft in de loop der tijd nogal wat bezettingswijzigingen doorgemaakt. Hoe moeilijk is het om een band meer dan drie decennia bij elkaar te houden?

Ik denk dat het altijd erg moeilijk is. Je hebt nou eenmaal met verschillende karakters te maken, om nog maar te zwijgen over de invloeden van buitenaf; de frustraties, de onverwachte ontwikkelingen. Ik weet nu ook dat het er niet makkelijker op wordt als een band succes heeft. Succes vergt het uiterste van je; het reizen, de interviews, de signeersessies zijn niet bepaald efficiënt. Er zijn heel veel verloren uren. Hoe intensiever het succes des te lastiger het wordt om in balans te blijven. Tegelijkertijd was het voor mij ook een soort verslaving. Soms reek die erg ver. Tijdens de Urk - tour ben ik mezelf volledig kwijtgeraakt omdat ik geen dag vrij heb gehad.

Jullie laatste hitfeit is het nummer “Soap Bubble Box” uit de herfst van 1992. Sindsdien is het commerciële succes – wat Nederland betreft - afgenomen. Heb je het gevoel dat jullie piek inmiddels achter jullie ligt ?

Commercieel gezien wel. Artistiek gezien zijn we juist op een hoger niveau terecht gekomen. Niet in de laatste plaats vanwege de inbreng van de vele jonge, Nederlandse jazz muzikanten waarmee we graag werken. Die nemen je mee naar plaatsen waar je nog nooit geweest bent. Daardoor is “Les Nuits” zo experimenteel geworden. Maar vanuit een commercieel oogpunt gezien ben ik genoodzaakt je vraag met ‘ja’ te beantwoorden. En da’s begrijpelijk. De muziekindustrie is in de afgelopen 15 jaar dramatisch verhardt, en vergroot. Het persoonlijke element is eruit gedreven. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de radio.

Je doelt op de formats?

Precies. Vroeger werd de muziek bepaald door degene die het programma presenteerde. Nu hebben de marketingstrategen die rol overgenomen. Dat heeft niks meer met liefde voor muziek te maken. Het oergevoel van de popmuziek zoals dat in de jaren 50 ontstond vind je tegenwoordig alleen nog terug in de alternatieve scène. Bij mensen voor wie muziek een primaire levensbehoefte is, die laten zich niet zomaar afdanken met een marketing formule.

Veel muzikanten lijken de handdoek in de ring te hebben gegooid.

Volgens mij is dat niet zo. In de underground scène van Amsterdam zie ik bandjes steeds interessanter worden. Daar tref je een compleet andere sfeer aan dan bij de het vreselijke Idols – sterrendom. Daar spat het plezier nog vanaf. En de nieuwsgierigheid, en de ondernemingslust, de fantasie. Da’s pure romantiek.

Zoals jullie zelf ook begonnen zijn?

Zoals het zou moeten zijn. Of je nou de dirigent van het Boston Symphony Orchestra bent, radiodeejay of muzikant; je moet je altijd laten drijven door passie. Anders betekent het niks.
Volgens mij leent deze tijd zich bij uitstek voor nieuwe impulsen. Juist als er veel onvrede heerst, kunnen daar mooie dingen uit ontstaan. Daarom geloof ik dat er vooral spannende, controversiële omwentelingen plaatsvinden binnen de experimentele muziekscène. Een muziekmagiër als Björk heeft meer met rebellie te maken dan iemand als Eminem, die zich binnen de pop en rapkringen een geaccepteerde politieke uitspraak laat ontvallen. Dan lijkt het geëngageerd terwijl het in feite slechts een marketing - strategie is.

Over engagement gesproken. Op jullie nieuwste cd ‘Les Nuits’ heb je de moord op filmmaker, interviewer Theo van Gogh trachten te duiden.

De moord op van Gogh heeft me persoonlijk enorm aangegrepen. Niet in de laatste plaats omdat het in alle opzichten dichtbij kwam. Ik bedoel, ik loop daar nota bene elke dag boodschappen te doen. Bovendien was het in mijn optiek een regelrechte aanslag op de kunst, op de basisfundamenten van onze samenleving. Dat iemand vermoord wordt om zijn opvattingen, zijn ideeën. Dat was in Nederland, mits we Fortuyn niet meerekenen, al heel lang niet meer gebeurd. Daar wilde ik over schrijven en dat is uiteindelijk een drieluik geworden. Het ene is profetisch. Een visioen. Het andere is geschreven vanuit het oogpunt van het slachtoffer, terwijl het derde soort Amsterdams “Penny Lane” is geworden. Het kijken naar de straat zoals Mc.Cartney dat met the Barbershop gedaan heeft. De wasserette, de pizzeria, die sleutelmaker in de Linneusstraat, hebben een belangrijke rol gespeeld in de verslaggeving van die dag. Veel mensen hebben het gezien. De moord op van Gogh markeert ook een ommekeer op het album dat naar het einde toe donkerder wordt terwijl het in het begin is nog vergeven is van optimisme en hoop.

Is dat waar het nummer “The Eiffel Tower” aan refereert?

Ja. Maar de achterliggende gedachte reikt verder. Mijn jongste dochter koesterde de wens om een keer naar de top van de Eiffeltoren te gaan, en tijdens haar krokusvakantie hebben we haar wens in vervulling laten gaan. Dat zijn van die momenten die je moet ondernemen in je leven. Zo hebben we bijvoorbeeld ook al eens de Abbey Road Studio’s van The Beatles bezocht. Vlak ervoor was er iemand van de Eiffel toren gesprongen met een parachute. Maar zijn poging was mislukt. Daar hebben we bovenop ook over gesproken; hoe je zoiets in Godsnaam kan doen. En toen dacht ik eraan hoe je je zou voelen als dat wel zou lukken. Waar je dan terecht zou komen. Op dat moment viel de avond over Parijs en was het alsof het licht de stad bevroor. Alsof alles stilstond. Als je daar bovenop staat, is de snelheid van de stad verdwenen. Dat is de stemming die ik in dat nummer probeerde vast te leggen.

Kun je uitleggen hoe zo’n nummer muzikaal gezien tot stand komt ?

Muzikaal gezien is het een vreemd proces. Heel intuïtief, Meestal is er een idee, zoals in het geval van “The Eiffel Tower”, flarden tekst. Vervolgens nemen we alles op op twee sporen, en spelen we soms sessies van halve dagen. Daar gaan we dan naar luisteren. Meestal gooien we een hoop eruit, zo’n tachtig procent, en tot slot werken we de rest helemaal uit. Wat betreft ‘Les Nuits’ hadden we vrij snel consensus bereikt. De spanning van de experimentele outtakes wilden we per se bewaren. Alleen de strijkers hebben we er later aan toegevoegd.

Je hebt het over strijkers, maar ook jullie vroegere repertoire kende een mengeling van pop en licht klassiek. Waar komt die liefde voor klassieke muziek bij jou vandaan?

Als je zo intensief naar popmuziek luistert zoals wij, denk ik dat je binnen een jaar of tien uitgeluisterd bent. Als je dat heel intens doet, slijt het. Op een gegeven moment raakt het je niet meer. Of in het beste geval minder. Het enige wat er nog in zit, is het vleugje nostalgie. Er gebeuren zoveel dingen in je leven, je krijgt relaties, misschien kinderen. Dat zijn allemaal nieuwe ontwikkelingen. Die hebben een nieuwe soundtrack nodig. Tegenwoordig zoek ik voornamelijk binnen film- en klassieke muziek een manier om die emotie te vertalen. Daar vind ik mezelf in terug.

Filmmuziek?

Ik kan nogal warm lopen voor een componist als Nina Rota. Zijn muziek bij de film Cassanova vind ik een van de mooiste soundtracks aller tijden. Ook hou ik erg van Bernard Hermann, die prachtige dingen heeft gemaakt voor Hitchcock en Scorsese. Maar wat de klassieke muziek betreft, ben ik aan het eind van de jaren 60 vooral onder de indruk geraakt van Bach. 'Erkenne mich, mein Hüter' : dat koraal uit de Mattheüspassie van hem ken ik nog altijd tot in de details. Dat was een openbaring voor me. Via Bach ben ik bij de strijkkwartetten van Schubert geraakt. Niet voor niets hebben we op het album “A Normal Sunday” onder de naam “Ho Orchestra” met de Zwitserse componist Simon Ho, en de Finse folkgroep Värttinä samengewerkt.

Värttinä is met name in hun thuisland erg populair. Hoe ben je eigenlijk met hen in contact gekomen?

Värttinä is op ons pad gekomen tijdens de vele tournee’s door Finland. Hun inbreng heeft onze muziek een bijna exotische dimensie bezorgd. Voor buitenstaanders lijkt Finland een raar land. Maar voor ons is het een bron van inspiratie – altijd al geweest. Die donkere, melancholieke sfeer van dat land heeft me altijd bezield. Helsinki is een bijna Russische stad. Op een peperdure nachtclub na valt daar niks te beleven. Daar is het nummer Soulman op gebaseerd. Dat verhaalt over mijn ontmoeting met een radiodeejay van een station in Helsinki. Zeppo genaamd. Hij was de eerste die mij in Finland interviewde, en foto’s van ons maakte. Voor de Finse TV heeft hij een prachtige film over Leonard Cohen gemaakt. We doen nog steeds projecten samen. Dat helpt ook wel hoe je relatie met zo’n land zich ontwikkelt.

Finland, Duitsland. Jullie zijn zo’n beetje de hele wereld rondgereisd. Net als in jouw ‘echte’ leven lijkt de thematiek van het ‘reizen’ als een rode draad door jullie reportoire te zijn verweven. “Nescio”, “Cars en Cars”, “Adieu Sweet Bahnhof” – Zie ik dat goed?

Ja. Daar is tevens de meeste tijd in gaan zitten. In dat opzicht hebben vooral treinen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uitgeoefend. Ik zal je een voorbeeld geven: als we aanstaande woensdag naar Parijs vertrekken voor een concert nemen we de trein in plaats van het vliegtuig. Het tijdsverlies ten spijt. Dat hoort gewoon bij ons. Voordat ik The Nits oprichtte, reisde ik zelf ook altijd per trein naar die kunststad bij uitstek.

“Adieu Sweet Bahnhof” ?

Inderdaad. Maar “Adieu Sweet Bahnhof” is ook de liefde voor een prachtig, karakteristiek, Frans hotel waar ik altijd logeerde. Hotel d’Angleterre; vervallen maar ontzettend mooi, ontzettend levendig. Tot afgrijnzen van onze Franse platenmaatschappij is het later ook de vaste plek van de band geworden. Die vonden het verschrikkelijk dat 1 van hun bands hun intrek in zo’n armoedig optrekje vond. Maar wij hielden vast aan hotel d’Angleterre. Dat doen we trouwens nog steeds.

Als je jullie nummers beluistert is het net alsof je een roman openslaat. De teksten zijn enorm poëtisch, de sfeer is naargeestig, spooky, en bezwangerd van melancholie. Bovenal is het erg beschouwend.

Goede nummers zijn wat mij betreft altijd korte verhalen waar alle disciplines doorheen sluipen; essays, documentaire, literatuur, film. Wat dat betreft is “Nescio” de ultieme song. De inspiratie komt van dichtbij. Ik bedoel, je hoeft hier maar uit het raam te kijken. Aan de overkant staat een beeld van de Titaantjes uit zijn roman de Uitvreter (?). Eerst stonden ze aan de andere kant van het Oosterpark. Maar daar werden ze gestolen. Op de een of andere manier worden beroemde beelden altijd gestolen. Toen ik twee jaar geleden hierheen verhuisde, stonden ze opeens voor mijn neus. Wonderbaarlijk was dat. De verhalen van Nescio horen bij deze buurt, bij dit park. “Nescio” is ontstaan vanuit het verlangen om het slot van het boek, “de Uitvreter”, te veranderen. Die zelfmoord! Afschuwelijk vond ik dat. In ons nummer laat ik de protagonist dan ook in leven blijven. Nadat hij van de brug is gesprongen, zwemt hij door naar Italie. Daar belt hij Nescio om te zeggen dat hij in het Paradijs is aangekomen. Zijn “Questo Paradiso”, en vertelt hem dat hij daar woont met een mooie gravin en er een prachtig leven heeft. Het is een fantasie.

Beschouw je "Nescio" ook als een hoogtepunt binnen jullie oeuvre?

Het album “Kilo” vormde destijds een tussentijdse piek. Niet in de laatste plaats omdat Nescio voor de doorbraak naar het Nederlandse en Belgische publiek zorgde en ons een Edison opleverde. Maar internationaal gezien had het “Adieu Sweet Bahnhoff” moeten worden. Ondanks de inbreng van Jaap Eggermont gebeurde dat echter niet. Het grote succes kwam pas een poos later dankzij “In the dutch mountains”. Toen we de plaat opnamen zag niemand er wat in. Maar vanaf het moment dat hij af was, wist ik dat het een heel belangrijk nummer in onze carriere zou worden. In die zin vormt “Urk” (liveplaat 1989 E.O.) het absolute hoogtepunt. Dat is een soort statement geworden waarin alles samenkomt. Maar zoals ik reeds aangaf zou ik nooit meer een hit als “In the duch mountains” willen hebben, omdat ik weet wat de vergaande gevolgen ervan zijn. Succes is een uitputtingsslag. Tegenwoordig gaat mijn voorkeur uit naar anonimiteit en artistieke verdieping. Dat is wat onze aanhangers van ons kunnen verwachten.

Dit interview werd opgenomen in de woning van Henk Hofstede, op maandag 20 januari 2006

Monday, November 20, 2006

Sanneke van Hassel: 'Ik train mezelf om overal te kunnen schrijven'

Sanneke van Hassel (1971) debuteerde vorig jaar met de schitterende verhalenbundel IJsregen. Niet nóg een debuut over navelstarend volwassen worden, maar een bundel ijskoude verhalen. Van Hassel schrijft zonder opsmuk; haar personages zijn moeder, werkster of kneden deeg, haar zinnen zijn kort en krachtig. Het korte verhaal is een genre dat het moeilijk te verduren heeft, maar de schrijfster denkt er niet aan om een roman te schrijven. Ik stel u graag voor aan Sanneke van Hassel.

Door Ernest van der Kwast, Ezra Cohen & Erick Overveen.

In 2000 debuteerde je met een kort verhaal in literair tijdschrift Tirade. Hoe kwam je ertoe om een verhaal te schrijven? Had schrijven altijd al je interesse? Schreef je als kind hele schriften vol?

Ik durfde als klein kind niet met mijn ogen dicht in slaap te vallen en lag met wijdopen ogen verhalen te verzinnen tot ik vanzelf in slaap viel. Op de lagere school won ik een schoolkrantenwedstrijd met een helaas verloren gegaan verhaal. Ik weet nog dat het spannend was en dat er een zin in voor kwam waar ik als tienjarige erg trots op was: 'Met de snelheid van Speedy Gonzalez rende zij de trap af.' Op de middelbare school verzamelde ik zinnetjes, gedichten of Latijnse spreekwoorden maar ik ben nooit een dagboekenschrijver geweest die moeiteloos pagina's volkalkt. Ik las veel maar niet met de gedrevenheid en de gerichtheid die ik van collega-schrijvers ken, die bijvoorbeeld op hun zestiende al alles van Nabokov hadden gelezen. Tijdens mij studie had ik schrijfclubjes met vriendinnen, ging naar de Schrijversvakschool om een cursus te doen, besloot de vierjaars opleiding te gaan doen, verkende verschillende genres en hun mogelijkheden en ontdekte Het Korte Verhaal. Ongemerkt werd schrijven steeds belangrijker in mijn leven. De Schrijversvakschool, die ik niet voltooide, was behalve door de verschillende invalshoeken en het commentaar dat ik kreeg, belangrijk omdat ik een structuur vond, het schrijven kreeg een plek in mijn dagelijks leven, in plaats van dat het erbij hing. Het voornaamst was dat ik me er steeds meer bewust van werd dat het de enige activiteit is waar ik echt voldoening van krijg. Ook al is het prut wat ik heb gemaakt, toch ben ik als ik heb geschreven vaak rustig en gefocust, en dat heb ik verder met bijna geen enkele activiteit.

In 2005 verschijnt dan je debuut, de verhalenbundel IJsregen. Heb je vier jaar achtereen zitten werken aan je boek of heb je eigenlijk niet aan een boek geschreven, maar steeds aan een afzonderlijk verhaal, en was er ineens een boek?

Het is allemaal heel organisch gegaan. Ongeveer een derde van de verhalen kwam tot stand in de tijd dat ik op de Schrijversvakschool (vanaf '99) zat. Ik stuurde af en toe iets naar een tijdschrift, vaak aangemoedigd door docenten. Zelf hield ik veel af, ook als er soms na publicatie van een verhaal uitgevers belden. Ik had het idee dat ik eerst een hele grote la vol ongepubliceerd werk moest hebben, en moest weten waar ik nou eigenlijk mee bezig was. Wat mijn onderzoek was wat vorm en inhoud betreft, om het deftig te zeggen. Uiteindelijk maakte ik toch maar een afspraakje met Victor Schiferli, mijn redacteur bij De Bezige Bij. Een jaar later hadden we nog eens contact. Hij zei dat De Bij voorzichtig was met debuten, dat ze een reputatie van het Rosa Spierhuis (fameus bejaardenthuis voor kunstenaars) aan het opbouwen waren. Inmiddels is dat met veel nieuwe aanwas overigens niet meer zo. Ik zelf twijfelde vooral over de omvang van de uitgeverij, ik ben heel erg van de kleine organisaties en het zelf doen. Maar ik kon me wel vinden in hun fonds, vooral in de dichters, en vond het prettig dat Victor ook poëzieredacteur is en dus op de details let. In de zomer, ik geloof nadat de directeur zich enthousiast had betoond, ging het snel. Ik heb toen nog twee verhalen erbij geschreven, een paar terzijde gelegd en de meeste nog eens kritisch herzien. Uit een verhaal dat al gepubliceerd was heb ik bijvoorbeeld nog een derde weggesneden.

Werd je niet gepusht een roman te schrijven? (Ook niet een klein beetje?)

Bij mijn eerste gesprekken met De Bezige Bij is hier wel naar geïnformeerd. Maar vooral de ambities om het niet bij één boek te houden werden getoetst. Nooit is mij door hen expliciet gevraagd om een roman, maar mijn redacteur wees me er onlangs wel op dat ik dan veel meer zou verkopen. IJsregen doet het goed voor een verhalenbundel maar het genre is minder populair dan de roman. Bijna iedereen die ik spreek pusht me dan ook verder in die richting te gaan, maar ik zie het er voorlopig niet van komen. De ideeën die ik heb zijn allemaal voor korte verhalen. Ik zet me op dit moment liever in voor het verder ontdekken van het korte verhaal en de bevordering van de verspreiding van dit genre! Ik vind het mooi dat goede korte verhalen iets geheimzinnigs hebben en een groot beroep op de verbeelding doen. Joost Zwagerman schrijft dat het net als een popliedje in je hoofd blijft hangen, en vaak begrijp je niet goed waarom. Die impact wil ik maken en dan het liefst met zo weinig mogelijk.

IJSREGEN is lovend ontvangen door de literaire kritiek. Arjan Peters noemde je boek - net na verschijnen - zelfs 'het beste boek van dit voorjaar'. Begin dit jaar ben je genomineerd voor de Vrouw & Kultuur Debuutprijs. Hoe belangrijk zijn recensies voor jou? En een eventuele literaire prijs?

Ik had niet verwacht dat ik zou worden genomineerd, het is bijzonder dat mensen/critici blijkbaar iets herkennen in hoe ik de dingen zie en weergeef. Dat is echt een wonder dat ik nooit helemaal zal begrijpen. De positieve onthaal is een steun in de rug om door te gaan met schrijven. Tegelijk vind ik het soms jammer dat ik nu meer de druk van de verwachting voel en de zolderkamer anonimiteit er niet meer is. Ik probeer mezelf te trainen ook niet teveel van de kritiek aan te trekken. De mening van iemand die me langer volgt, zoals mijn meelezer en mentor, de schrijver Thomas Verbogt is uiteindelijk het belangrijkst.

Op de website van de Letteren Spreken staat een lijst van debuten gepubliceerd die meedingen naar de DebutantenPrijs. Het zijn er op dit moment 45, maar de inzendingtermijn loopt nog tot en met 31 maart. Ga je alle boeken lezen? Genuanceerder: voel je je verbonden met andere debutanten?

Afgelopen jaar vond ik het het leukst om debuterende generatiegenoten te spreken, over het wel en wee van zo'n eerste boek. Vaak enorm banale gesprekken over semi-literaire zaken en dan ineens heb je het toch over het hart van je werk. Een tijdje las ik veel debuten, maar deze week bedacht ik me dat ik zin heb om me weer meer op de klassieken te richten, daar kun je uiteindelijk toch het meest van leren, vermoed ik.

Je hebt onlangs besloten fulltime schrijver te worden. Was dat een moeilijke keuze?

Half april word ik eindelijk schrijver... (tot nu toe zeg ik 'ik schrijf'). Ik verheug me erop om elke dag aan iets door te kunnen schrijven, maar ik zie er ook tegenop om de hele dag met mezelf in een ruimte te zitten. Ik ben onrustig en houd van variatie. Ik zal het toneelgezelschap 't Barre Land (waar ik nu werk en me veel met organisatorische en publicitaire kwesties bezighoud) erg missen. Ik zou er het liefst 's ochtends een kop koffie drinken en even kletsen. Ik ben een voorzichtig mens, ik wil het vooral doen, schrijven, er niet teveel over nadenken dat of waarom ik het doe. Ik wil mezelf de kans geven erachter te komen waar het dagelijks schrijven toe leidt zonder al teveel vooropgezette ideeën. Ik heb twee zomers vijf weken geschreven en dat beviel heel goed, maar toen zat ik in een hotelletje in Frankrijk en was het leven heel eenvoudig.

Kun je ons inwijden in jouw schrijversleven? Hoe ziet een werkdag eruit? Treedt je ook veel op? Schrijf je reclameteksten voor Vodafone?

Mijn schrijversleven is nu beperkt tot de woensdag. Ik werk vooral 's ochtends, dan ben ik het meest helder. Ik ben geen nachtbraker en ik vermoed dat het schrijven vanaf april een negen tot vijf baan word met 's avonds nog een uurtje nakijkwerk of een beetje mijmeren. Ik vind het fijn om anderhalf uur te schrijven dan een pond sperziebonen schoon te maken, even te wandelen en dan weer verder te schrijven. 's Middags doe ik vooral research en herschrijfwerk. Geen bezeten opsluiten maar tot nu toe meer de kruidje roer me niet-methode dus. Ik train mezelf om overal te kunnen schrijven; ook in cafés, logeerkamers, of in de Rotterdamse bibliotheek. Tot nu toe krijg ik af en toe een opdracht voor een kort verhaal of een monoloog, zoals onlangs voor het Rotterdams Centrum voor Theater. En gisteren belde collega schrijver Laurens Abbink Spaink of ik met hem 50 biografieën en werkbeschrijvingen van beeldend kunstenaars wil doen. Dat is mijn eerste non-fictie opdracht.

Identificeer je je met andere schrijvers? Inspireren zij je ook?

Ik lees graag over de levens van o.a. Colette, Marguerite Duras, Beckett, Tsjechov, Coetzee -schrijvers die ik bewonder maar het gaat niet zover als identificatie. Ik heb nooit idolen gehad in mijn leven. Verder lees ik veel korte verhalen, van Uphoff, Campert en Bernlef en Amerikanen als Carver, Kevin Canty of John Cheever.


Wat is jouw bijbel?

Alles van Charlotte Mutsaers en in het bijzonder haar De markiezin, een klein boek met samenhangende prozaminiaturen. Niet dat ik het er elke dag op na sla maar het doet me goed te weten dat er zo'n vindingrijk, taalbewust, vrolijk, diepzinnig, schijnbaar eenvoudig boek bestaat. Zij weet als geen ander dat schrijven gaat over het volgen van je eigen fascinaties, over hoe je die op onnavolgbare wijze met elkaar weet te verbinden.

website De Letteren Spreken
website uitgeverij de Bezige Bij

Dit interview werd eerder, in ingekorte vorm gepubliceerd op www.literatuur.web-log.nl

VERHALENBUNDELS
IJREGENS

WITTE VEDER (VERSCHIJNT IN 2007)

Monday, October 02, 2006

René Appel: ' Het gaat om empathie...'


René Appel , geboren in 1945 te Noord Holland, is de onbetwiste meester van de psychologische Nederthriller. Hij won tweemaal de Gouden Strop: voor "De derde persoon" (1991) en "Zinloos geweld" (2001). Tevens ken je hem van de beroemde roman: "Doorgeschoten", een allegorie over de moord op Pim Fortuyn. Nu uitgeverij Prometheus zijn nieuwe romans "Loverboy" en "Los Geld" hebben gelanceerd, wordt het hoog tijd voor 'n gesprek.

Door Erick Overveen

Erick: In de jaren 70, toen je in je twintiger jaren was, heb je free lance journalistiek (Volkskrant) bedreven, en schreef je korte verhalen en gedichten in diverse bladen. Toch kwam je er nog niet aan toe om thrillers te schrijven. Je werd misdaadrecensent bij het NRC, waardoor er een tijd voorbij ging alvorens je aan je 1e boek "Handicap" toekwam. Waarom zat er zo'n groot gat tussen je 1e publicaties en je eerste, echte misdaadroman?

René Appel: Met die korte verhalen probeerde ik aanvankelijk verder te gaan. Ik had een bundel in gedachten. Er verschenen in die periode nogal wat bundels met verhalen in de realistische sfeer, zoals ik ze zelf ook probeerde te schrijven. Ik heb daar toen ook over gesproken met Bert Poll, hoofd van de kunstredactie van NRC Handelsblad, redacteur van Hollands Maandblad en redacteur van een reeks boeken bij Meulenhoff, met vooral verhalen uit Hollands maandblad, waarin ik ook had gepubliceerd. Maar volgens Poll was eenderde van de verhalen goed genoeg voor een boek, eenderde moest herschreven worden, en voor eenderde moesten er nieuwe verhalen komen. Achteraf denk ik dat hij gelijk had. Hoe het ook zij, het nam voor mij een beetje de motivatie weg. Bovendien had ik inmiddels een fulltime baan gekregen aan de Universiteit van Utrecht, waardoor ik minder tijd had om te schrijven, en werd in 1974 mijn dochter geboren, die ook veel aandacht en tijd opeiste. Door een toeval werd ik toen in 1976 misdaadrecensent van NRC Handelsblad, maar misschien ook een beetje omdat ik Bert Poll kende, en ook wat andere mensen bij die krant. Ik kende het genre nauwelijks, maar al recenserende kwam ik terecht bij boeken van met name Ruth Rendell en Patricia Highsmith. En nadat ik die boeken gelezen had, bedacht ik: ja, zoiets zou ik ook wel eens willen proberen. Inmiddels was ik gescheiden en woonde ik alleen met mijn dochter, terwijl ik een fulltime baan had, dus echt veel tijd om aan een (misdaad-)roman te beginnen had ik niet. Toen ik er wel aan begon, in 1984, had ik die tijd eigenlijk nog niet in overvloed, maar mijn persoonlijk leven was in een wat rustiger vaarwater terechtgekomen (nieuwe vriendin, met wie ik sinds 1981 samenwoonde). Dus toen ik in 1984, na mijnacademische promotie, een idee voor een verhaal kreeg, ben ik zelf weer fictie gaan schrijven. Aanvankelijk was dat een kort verhaal van ongeveer 30 bladzijden, en toen ik dat nog eens overlas, bedacht ik dat er een roman in zat. Dat is dus het in 1987 verschenen 'Handicap' geworden.

Erick: Van 1994 tot 2003 was jij bijzonder hoogleraar 'Verwerving en didactiek van het Nederlands als tweede taal' namens de Gemeente Amsterdam. Wat hield dat precies in?

René Appel: Dat hield vooral in: onderwijs geven (over tweedetaalverwerving, meertaligheid, positie van anderstaligen in Nederland, enz.), onderzoek doen, artikelen schrijven, meewerken aan een boek, begeleiden van andere onderzoekers, met name promovendi, en allerlei bestuurlijk werk. Zo was ik bijvoorbeeld jarenlang voorzitter van het bestuur van het aan de FGW verbonden Instituut voor Taalonderwijs en Taalonderzoek Anderstaligen, waar allerlei praktijkgericht onderzoek wordt gedaan, en materiaal wordt ontwikkeld voor het onderwijs Nederlands als tweede taal.

Erick: Waar komt die liefde voor misdaadromans eigenlijk vandaan ?

René Appel: Die liefde was er aanvankelijk zeker niet, en ik ben nog steeds niet een groot liefhebber van het genre in z'n totaliteit. Ik heb wel altijd van boeken gehouden waar een soort spanning in zit, dat je wilt weten hoe het verhaal verder gaat, wat er met de mensen gebeurt. En verrassingen, onverwachte wendingen in een verhaal spreken me ook aan. Beide elementen zie je meestal sterker in misdaadromans dan in literaire romans. Ik lees overigens meer literaire romans dan pure thrillers. Ik behoor overigens tot de waarschijnlijk steeds kleiner wordende groep mensen die de Da Vinci Code nog niet heeft gelezen. Zo'n mysterie met de oplossing aan het eind trekt me simpelweg niet aan. Ik houd niet zo van puzzels die worden opgelost. Een boek moet juist eerder een raadsel of een mysterie creëren. Dat vind ik interessanter. Kortom, ik ben zeker geen hard core misdaadliefhebber.

Erick:
Zoals je weet neemt de censuur op literatuur sinds de moord op Theo van Gogh schrijnend toe. Winkeliers zijn bang om het boek van Wilders in de toonbank te zetten en Tomas Ross ligt onder vuur omdat hij een thriller schrijft over een aanslag op Ayaan Hirsi Ali. Zijn jouw collega schrijvers bang om hete issues als Islam e.d. te bekritiseren? zijn uitgevers bang? En zo niet, waar blijven dan die boeken over Theo van Gogh?

René Appel: In de eerste plaats is het zo dat in misdaadliteratuur meer maatschappelijke thema's verschijnen dan in 'gewone' literatuur. Daarin gaat het toch vaak om de worsteling en de zielenpijn van een individu in een betrekkelijk geïsoleerde omgeving. Dat geldt tenminste voor Nederland. In veel buitenlandse literatuur is dat anders. Om op een paar concrete vragen te antwoorden: uitgevers zouden het volgens mij juist fantastisch vinden als iemand ene boek schreef met als achtergrond problemen met islam en integratie. En de boeken over Theo van Gogh? Daarover valt geen boek te schrijven of je moet het fictionaliseren, dat wil zeggen er een Theo van Gogh-achtige figuur van maken, waarbij de dader ook niet meteen wordt gepakt. Het kan allemaal wel, en ik weet dat er zeker mensen bezig zijn met het thema, maar eerder in de thrillerscène dan in de andere literaire wereld. Of er een boek uit voorkomt, weet ik niet.

Erick: Daarover gesproken: eind 2002, begin 2003 had je een klein Fortuyn golfje. In het kader daarvan schreef jij de (naar mijn idee prachtige) thriller Doorgeschoten - Was het boek bedoeld als een allegorie? Je verving Fortuyn bv door Hordijk. Waarom ging je zo te werk? En wat inspireerde jou aan de moord op Fortuyn om tot dit boek te geraken?

René Appel: De inspiratie kwam simpelweg uit een idee dat me plotseling in mijn hoofd schoot, namelijk het volgende. Er werd toen gezegd 'De kogel kwam van links', maar stel dat de kogel eigenlijk van rechts kwam? Dat gaf een basis voor een thriller met een politiek complot, vanuit rechts krachten in de samenleving. Ik wilde nadrukkelijk niet een boek schrijven over Fortuyn zelf, maar een verhaal over een Fortuyn-achtig persoon, die rechtse krachten weet te mobiliseren, maar voor de echte conservatieven toch niet rechts genoeg is (en te onbetrouwbaar). Kortom, geen boek over Fortuyn, maar naar aanleiding van Fortuyn, en over de politieke situatie in Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Het boek was dus ook niet bedoeld als een soort allegorie, maar als een politieke thriller die uitloopt op een psychologische thriller. Dat is helaas niet door veel recensenten herkend.

Erick: Als jij aan zo'n thriller begint? Hoe ga je dan te werk? Zou je iets willen vertellen over je werkwijze? Steek jij bv vooraf veel tijd in research? En werk je je plot vooraf uit, of laat je je meeslepen?

René Appel: In het algemeen gaat het als volgt. Ik heb een idee over een probleem, een conflict, een kwestie of wat dan ook, waar mogelijk een verhaal in zit. Dat bespreek ik dan met mijn redacteur bij de uitgeverij om de mogelijkheden voor een boek op basis van zo'n 'probleem' nader in kaart te brengen. Als we denken dat er inderdaad een roman in zit, dan ga ik research doen, meestal naar achtergronden, beroep van personages, enz. In die periode denk ik ook verder na over het verhaal, maar over het algemeen weet ik nog maar weinig over de intrige voor ik begin te schrijven. Wel weet ik meestal dat ik ongeveer halverwege een heftige, vaak gewelddadige scène wil, zodat ik daar als het ware naar toe kan schrijven. Wat er precies in die scène gebeurt, weet ik echter ook nog niet. In die voorbereiding bedenk ik ook wat de belangrijkste personages zijn, vanuit welke personages ik het verhaal wil vertellen, enz. Heel belangrijk is ook het moment waar ik in het verhaal stap, met mijn eerste zinnen. Dat is ook iets wat ik vantevoren bedenk, meestal in de fase van de research. Hoe het verhaal zich verder ontwikkelt, ontdek ik zelf pas tijdens het schrijven. Het eind weet ik vaak op tweederde van het boek nog nooit. Daarom ben ik misschien ook twee keer vastgelopen in een verhaal, maar dat is op zestien boeken misschien niet eens zo veel.

Erick: Je laatste roman "LOVERBOY" is ook weer zo''n typische Appel thriller: waar kwam je idee over dat weggelopen meisje vandaan?

René Appel: Het basisidee was niet over dat weggelopen meisje, maar over een vrouw, zelfs thrillerschrijfster, die ontdekt dat haar echtgenoot ene minnares heeft. Vervolgens had ik bedacht dat de thrillerschrijfster met een boek bezig was, waarvan ook delen in het 'hoofdverhaal' moesten komen. Ja, en dan is het een kwestie van verder doordenken. De thrillerschrijfster moest een type boeken schrijven dat ik nogal cliché'-achtig vind, namelijk over een (vrouwelijke) privé-detective. Die moet een zaak oplossen, en tja, wat voor zaak? Ik weet niet meer hoe ik toen op het verschijnsel 'loverboys' kwam, misschien omdat ik er net iets over in de krant had gelezen, maar misschien ook omdat 'loverboy' toch te maken heeft met de liefde en de ontsporing daarvan, wat ook relevant was voor mijn hoofdverhaal.

Erick: Tot slot: Jean Paul Satre heeft eens gezegd dat een grote kunstenaar geen kinderen kan hebben, jij hebt er twee. Hoe denk jij over dit statement? Oftewel; hoort een misdaadschrijver zelf zijn avonturen te ondergaan voordat hij ze kan beschrijven?

René Appel:
Eigenlijk zijn dit twee vragen, Erick. Om met het antwoord op de eerste te beginnen. Opvallend is dat veel 'grote' kunstenaars geen kinderen hebben of geen tijd besteden aan de dagelijkse zorg voor hun kinderen, wat overigens niet alleen een 'zorg' is, maar ook veel genot en plezier oplevert, is mijn persoonlijke ervaring. De algemene uitspraak van Sartre is echter onzin. Misschien vond Sartre voor zichzelf kinderen ongewenst, omdat hij immersserie minnaressen had. Die kostten hem veel te veel tijd! En misdaadschrijvers hoeven natuurlijk niet zelf hun avonturen te ondergaan. Ze zijn ook veel minder autobiografisch ingesteld dan veel literaire auteurs. Ik denk dat je twee soorten schrijvers hebt. Voor de eersten is het eigen leven vooral de bron die inspiratie levert voor verhalen, terwijl de anderen hun verhalen buiten zichzelf plaatsen. Ik behoor tot het tweede type schrijver. Wat een schrijver van mijn kaliber moet kunnen, en vooral in mijn genre van de psychologische thriller, dat is je verplaatsen in de leef- en gedachtewereld van je personages. Je moet als het ware met ze mee kunnen gaan als ze iets stoms doen of denken. Het gaat dus om empathie, en dat natuurlijk gekoppeld aan een rijke, en soms wat perfide fantasie.

Thrillers van René Appel zijn verkrijgbaar bij de betere boekhandels of bv: www.bol.com

WEBSITE RENE APPEL